Warmteverlies van een woning
Leerdoel van deze les
Je kunt uitleggen waar het warmteverlies van een woning vandaan komt en het benodigde ketelvermogen in grote lijnen beoordelen.
Waar raakt een woning warmte kwijt?
Een woning is een emmer met gaten: zolang het binnen warmer is dan buiten, stroomt er warmte naar buiten. De ketel en de radiatoren moeten precies dat verlies aanvullen: wie het kent, weet welk vermogen nodig is. In Nederland rekent men woningen door met ISSO 51, een methode die op de Europese norm NEN-EN 12831 is gebaseerd. Die telt het warmteverlies op uit vier posten:
| Post | Wat gaat er verloren |
|---|---|
| Transmissie | Warmte die door gevel, dak, vloer, ramen en deuren naar buiten gaat |
| Ventilatie | Warme lucht die bewust wordt afgevoerd en vervangen door koude buitenlucht |
| Opwarmen | Extra vermogen om een afgekoelde woning weer op temperatuur te brengen |
| Systeem | Verlies van het verwarmingssysteem zelf |
Infiltratie is het onbedoelde broertje van ventilatie: koude buitenlucht die door kieren en naden naar binnen komt. De methode rekent dit onder het ventilatieverlies (buitenluchttoetreding). In beide gevallen moet koude lucht worden verwarmd: hoe groter de luchtstroom en het temperatuurverschil, hoe groter het verlies.
Transmissieverlies: Q = U × A × ΔT
De U-waarde (in W/(m² K)) zegt hoeveel vermogen er per m² door een constructie gaat bij 1 K temperatuurverschil. Hoe beter de isolatie (hoe hoger de warmteweerstand R in m² K/W), hoe lager de U-waarde. Voor een constructiedeel geldt
Q = U × A × ΔT
met A het oppervlak in m² en ΔT het verschil tussen binnen- en buitentemperatuur in K.
Het verlies is evenredig met U, A en ΔT
Halveer je de U-waarde (dikker isoleren), het oppervlak of het temperatuurverschil, dan halveert het verlies.
Rekenvoorbeeld
100 m² gevel met U = 0,4 W/(m² K). Binnen is het 20 °C, buiten -10 °C, dus ΔT = 20 - (-10) = 30 K.
- Q = 100 m² × 0,4 W/(m² K) × 30 K = 1200 W.
- Na dikker isoleren tot U = 0,2 W/(m² K) is het 600 W.
Alleen transmissie: koudebruggen, ventilatie en opwarmen zitten er niet in.
Verdieping: welke buitentemperatuur gebruik je?
Een installatie wordt berekend op de koudste dag die je nog wilt opvangen. ISSO 51 (uitgave 2017) rekent met -10 °C, met een correctie voor de traagheid van het gebouw waardoor een goed geïsoleerd gebouw tussen -6 en -10 °C uitkomt. Een nieuwere uitgave (2023) is niet nagelopen. Gebruik voor een echte berekening de actuele methode, geen vuistregel.
Van warmteverlies naar ketelvermogen
Het verlies volgt het temperatuurverschil, dat per dag verschilt. De ketel moet de koudste dag aankunnen, maar zit de rest van het jaar ver onder dat vermogen: dat wringt bij een te groot toestel.
Rekenvoorbeeld: waarom een te grote ketel gaat takten
Stel dat een woning 200 W per K temperatuurverschil verliest (transmissie en ventilatie samen, een aangenomen getal).
- Op de ontwerpdag (ΔT = 30 K): 200 × 30 = 6000 W = 6 kW.
- Bij 5 °C buiten (ΔT = 15 K): 200 × 15 = 3000 W = 3 kW.
Een Remeha Calenta 25s (een ketel alleen voor verwarming) heeft een minimale belasting van 5,2 kW en kan niet verder terug moduleren (voorbeeld, per model verschillend). Bij 3 kW vraag slaat hij aan en uit: taktend bedrijf. Aan blijven op de kleinste stand kan pas vanaf een vraag van 5,2 kW, dus vanaf ΔT = 5200 / 200 = 26 K. Bij 20 °C binnen is dat buiten -6 °C of kouder. Extra vermogen is dus geen gratis marge: het maakt pendelen waarschijnlijker. Kijk daarom ook naar de kleinste stand van een ketel.
Isolatie, aanvoertemperatuur en rendement
Minder warmteverlies betekent dat de radiatoren minder hoeven af te geven, en dan mag het water koeler. Stel dat een radiator bij ΔT = 50 K (gemiddeld 70 °C water, 20 °C kamer) de volle warmtevraag dekt en dat het verlies door isolatie halveert. Met n = 1,3 uit les 2.3 volstaat dan ΔT = 50 × 0,5^(1/1,3) = 29 K, dus een gemiddelde watertemperatuur van ongeveer 49 °C. De retour ligt daar nog onder en dus onder het dauwpunt van het rookgas (54 tot 56 °C): de ketel gaat condenseren en het rendement stijgt.
Warmte sparen door ventilatie dicht te zetten
Bij een open opstelling mag de luchttoevoeropening van het toestel niet worden afgesloten en mogen de nodige verbrandingsluchtopeningen van de opstelruimte niet worden verkleind of afgesloten (fabrikantvoorschrift, bijvoorbeeld Remeha). Verminder warmteverlies door kieren te dichten en beter te isoleren, niet door ventilatieopeningen dicht te plakken. Zie je dat verbrandingsluchtopeningen zijn dichtgezet of verkleind, leg dat dan uit aan de klant, laat de openingen herstellen en meet CO in de opstellingsruimte: bij waarden vanaf 5 ppm handel je volgens les 1.6.
Video's bij deze les
Beeldmateriaal van derden, als aanvulling. Oudere of buitenlandse video's kunnen andere data of regels noemen: de les volgt de actuele Nederlandse bronnen.
Test jezelf
Beantwoord de vragen om te merken of de stof zit. Na elk antwoord zie je de uitleg, ook als je het goed had.
1. Een dak van 60 m² heeft een U-waarde van 0,3 W/(m² K). Binnen is het 20 °C en buiten -10 °C. Hoe groot is het transmissieverlies van het dak?
2. De buitentemperatuur stijgt van -10 naar 0 °C, terwijl het binnen 20 °C blijft. Wat gebeurt er met het transmissieverlies van een woning (alles verder gelijk)?
3. Een woning verliest 200 W per K temperatuurverschil. De ketel heeft een minimale belasting van 5,2 kW. Het is 20 °C binnen en 5 °C buiten. Wat gebeurt er?
4. Welke maatregel verlaagt het infiltratieverlies van een woning?
5. Waarom rekent een warmteverliesberekening voor een woning met een ontwerpbuitentemperatuur (in ISSO 51, uitgave 2017, -10 °C) en niet met de gemiddelde jaartemperatuur?
Voordat je verdergaat
Flashcards uit deze les
Deze les levert 7 kaarten op. Zodra je de les afrondt, komen ze terug in je herhaalschema: kaarten die je goed weet steeds later, kaarten die je mist al de volgende dag.