Isolatieweerstand meten
Leerdoel van deze les
Je begrijpt wat een isolatiemeting bewijst, waarom die op 500 V DC gebeurt en welke voorbereiding verplicht is.
Wat je wilt weten
De isolatie tussen geleiders onderling en tussen geleiders en aarde is de barrière die alles bij elkaar houdt. Die barrière veroudert: door warmte, vocht, uv-licht, mechanische belasting en knaagdieren.
Een multimeter kan dit niet beoordelen. Die meet met enkele volts, en bij die spanning lijkt vrijwel elke aangetaste isolatie nog prima. Isolatie faalt pas onder spanning.
Waarom 500 V gelijkspanning
Voor 230/400 V-installaties schrijft de norm een testspanning van 500 V DC voor, met een minimale isolatieweerstand van 1 MΩ. In een droge, nieuwe installatie meet je in de praktijk waarden ver boven 10 MΩ; een uitkomst van net boven 1 MΩ is dus geen geruststelling maar een signaal.
Waarom gelijkspanning en geen wisselspanning: elke kabel heeft een parasitaire capaciteit tussen de aders. Met wisselspanning zou daar continu een reactieve stroom doorheen lopen die de werkelijke ohmse isolatieweerstand maskeert. Met gelijkspanning laadt die capaciteit eenmalig op, waarna alleen de echte lekstroom overblijft.
Verbruikers eerst loskoppelen
500 V op een circuit waaraan nog een tv, een cv-ketel, domotica of LED-drivers hangen, vernielt die apparatuur onherroepelijk. Alle verbruikers gaan er fysiek af, en apparatuur die vast is aangesloten wordt afgeklemd of overbrugd volgens de opgave van de fabrikant. Dit is de belangrijkste voorbereidingsstap van de hele meting.
De meting uitvoeren
- Installatie spanningsloos en aangetoond spanningsloos.
- Alle verbruikers ontkoppelen; schakelaars in de stand waarin het circuit doorloopt.
- Meten tussen de geleiders onderling (L–N) en tussen elke geleider en aarde (L–PE, N–PE).
- Testspanning 500 V DC aanleggen en de waarde aflezen nadat die zich heeft gestabiliseerd.
- Na de meting het circuit ontladen - een goede meter doet dat zelf, maar controleer
het. Een opgeladen kabelcapaciteit kan een onaangename schok geven.
- Waarden noteren per groep.
De uitkomst interpreteren
| Waarde | Interpretatie |
|---|---|
| > 10 MΩ | Normaal voor een gezonde, droge installatie |
| 1 – 10 MΩ | Voldoet aan de minimumeis, maar verdient aandacht en herhaling |
| < 1 MΩ | Voldoet niet; zoek de oorzaak voordat de installatie in gebruik gaat |
| Bijna 0 | Directe sluiting; niet inschakelen |
Vaak voorkomende oorzaken van een lage waarde: vocht in een buitendoos of kruipruimte, een beschadigde kabel na boren of hakken, een vergeten aangesloten verbruiker, of een element in een boiler of vloerverwarming dat begint te lekken.
Waar dit in de praktijk het meest oplevert
- Vóór inbedrijfstelling van nieuw werk: bewijst dat je tijdens de aanleg niets
hebt beschadigd.
- Bij vloerverwarming: vóór en ná het tegelen meten, en beide waarden noteren.
Dat is het enige bewijs of het element bij het leggen is beschadigd.
- Bij aardlekstoringen die niet aan één apparaat toe te schrijven zijn.
- Bij aankoop of overname van een oudere installatie.