CV-ketelsPraktijkcursus
Mijn cursusModule 14 › Les 14.5

Inregelen in de praktijk: de methoden stap voor stap

⏱ 35 min🎬 3 video's📊 Gevorderd

Leerdoel van deze les

Je kunt een installatie inregelen met de gangbare methoden en de instellingen onderbouwen.

Voordat je begint

Loop de installatie na voordat je met inregelen begint: zet alle radiatorafsluiters open, controleer de installatiedruk en ontlucht de installatie, en controleer bij elke radiator of de aanvoer- en retouraansluiting niet zijn verwisseld (dat geeft een verkeerd beeld van het temperatuurverschil bij de temperatuurmethode hieronder). Stel pas daarna de installatie in bedrijf.

Methode 1: rekenkundig vooraf instellen (dynamisch inregelen)

Deze methode volgt rechtstreeks uit les 14.3 en 14.4: eerst het vermogen en het ontwerpdebiet per radiator berekenen, dan de weg te smoren druk over elke afsluiter bepalen (op basis van een drukverliesberekening van het leidingnet), en pas daarna met de fabrieksgrafiek of -tabel van de afsluiter de juiste voorinstelling aflezen. Dit is de methode die je vooraf, op tekening, kunt doen, en die achteraf op de bouwplaats alleen nog het instellen van de berekende standen vraagt.

Methode 2: meten met een debietmeter of drukverschilmeter

In plaats van te rekenen, kun je het resultaat direct meten. Een drukverschilmeter (zoals de Danfoss PFM100 met dP-tool uit les 14.3) laat je het beschikbare drukverschil over een afsluiter meten, waarna je met de Kv-formule of de fabriekstabel de juiste stand bepaalt. Bij vloerverwarming (les 14.6) gebeurt dit met een debietmeter die rechtstreeks op de verdeler is ingebouwd, waardoor je het debiet per kring direct kunt aflezen zonder tussenstap.

Methode 3: de temperatuurmethode (statisch inregelen)

De temperatuurmethode regelt in op basis van het gemeten temperatuurverschil (ΔT) tussen aanvoer en retour, en is geschikt als je geen debiet- of drukverschilmeter hebt.

  1. Draai de inregelafsluiters bij alle radiatoren 20 procent open.
  2. Meet bij elke radiator het ΔT tussen aanvoer en retour, en noteer dit.
  3. Deel de laagst gemeten ΔT door de hoogst gemeten ΔT (de inregelfactor).
  4. Is de uitkomst groter dan 0,8, dan is de installatie voldoende in balans. Is de uitkomst lager, ga door naar stap 5.
  5. Draai bij radiatoren met een grote ΔT de afsluiter verder open, en bij radiatoren met een kleine ΔT verder dicht.
  6. Herhaal stap 2 tot 4.

Twee belangrijke voorwaarden: de aanvoertemperatuur moet ongeveer 20 minuten op een nagenoeg constante waarde staan voor je gaat meten, en deze methode werkt niet bij vloer- of wandverwarming (zie les 14.6 voor de methode die daar wel werkt).

De inregelfactor is een verhouding, geen absoluut getal

Tmin / Tmax > 0,8 betekent: het temperatuurverschil bij de "traagste" radiator mag niet minder zijn dan 80 procent van het temperatuurverschil bij de "snelste" radiator. Is de verhouding lager, dan stroomt er relatief te veel water door de ene en te weinig door de andere radiator, en moet je bijstellen.

Rekenvoorbeeld: de temperatuurmethode toepassen

Na de eerste ronde meet je bij radiator A een ΔT van 8 K en bij radiator B (de traagste) een ΔT van 5 K.

Inregelfactor = 5 / 8 = 0,625.

Dat is lager dan 0,8, dus je draait de afsluiter van radiator A (grote ΔT) verder open en die van radiator B (kleine ΔT) verder dicht, en meet opnieuw. Blijkt de inregelfactor na de tweede ronde 6 / 7 = 0,86, dan mag je stoppen: dat is boven de 0,8.

Temperatuur meten: contact of infrarood

Temperatuur meet je met een contactmeter (met klemsensoren op aanvoer en retour, die de aanvoer, retour en ΔT in een keer uitlezen) of met een infraroodmeter. Een infraroodmeting is eenvoudiger, maar de meetafstand, de hoek en een terugkaatsend oppervlak kunnen de meting nadelig beinvloeden, wat tot grotere afwijkingen leidt dan bij een contactmeting. Richt een infraroodmeter (die met een laser werkt) nooit op gezichten.

Pomp en ketelvermogen mee-instellen

Naast de afsluiters zelf hoort bij inregelen ook het instellen van het cv-vermogen (vaak staat een ketel op 30 tot 50 procent van zijn maximale vermogen tijdens cv-bedrijf) en het maximale pompdebiet, via het installateursmenu van het toestel. Voor een gewone woning is een drukverschil van 15 tot 20 kPa over de installatie meestal voldoende; voor woongebouwen (collectieve installaties) die goed zijn ingeregeld is een pompcurve met een constant drukverschil de beste keuze, terwijl bij individuele woninginstallaties met thermostaatkranen een pompregeling met proportionele druk (of een automatische modus die daarop is gebaseerd) de gangbare keuze is.

Video's bij deze les

Beeldmateriaal van derden, als aanvulling. Oudere of buitenlandse video's kunnen andere data of regels noemen: de les volgt de actuele Nederlandse bronnen.

CV-installatie waterzijdig inregelen? Leer het in 20 minuten! (Loodgieter Den Haag Stad)±19 min, 2021 · openen op YouTube ↗
Inregelen radiatoren (Klimaat Techniek Nederland)±18 min, 2024 · openen op YouTube ↗
How to Balance a Heating System (Allen Hart)±4 min, 2020 · openen op YouTube ↗

Test jezelf

Beantwoord de vragen om te merken of de stof zit. Na elk antwoord zie je de uitleg, ook als je het goed had.

1. Voor je begint met inregelen ontdek je dat bij een radiator de aanvoer- en retourleiding zijn verwisseld. Wat doe je?

2. Wat is het belangrijkste verschil tussen methode 1 (rekenkundig vooraf instellen) en methode 3 (de temperatuurmethode)?

3. Na de eerste ronde van de temperatuurmethode meet je een laagste ΔT van 4 K en een hoogste ΔT van 9 K. Wat is de inregelfactor, en wat betekent die?

4. Waarom is een infraroodmeting bij het meten van aanvoer- en retourtemperatuur minder betrouwbaar dan een contactmeting?

5. Voor een gewone woning met radiatoren en thermostaatkranen is welke pompregeling het meest gangbaar, en waarom?

Voordat je verdergaat

Flashcards uit deze les

Deze les levert 7 kaarten op. Zodra je de les afrondt, komen ze terug in je herhaalschema: kaarten die je goed weet steeds later, kaarten die je mist al de volgende dag.