ElektrotechniekPraktijkcursus
Mijn cursusModule 5 › Les 5.3

Wissel- en kruisschakeling

⏱ 22 min🎬 1 video's📊 Beginner tot gemiddeld

Leerdoel van deze les

Je kunt een wisselschakeling en een kruisschakeling opbouwen en de veelgemaakte fouten erin herkennen.

De wisselschakeling: één lamp, twee bedieningspunten

Denk aan een trappenhuis: beneden aan, boven uit. Dat vraagt om twee schakelaars die allebei onafhankelijk de toestand kunnen omkeren.

Een wisselschakelaar heeft drie aansluitingen: één gemeenschappelijk contact en twee wisselcontacten. Hij verbindt het gemeenschappelijke contact met het ene óf het andere wisselcontact - hij onderbreekt niet, hij kiest.

De opbouw:

  1. De fase komt binnen op het gemeenschappelijke contact van schakelaar A.
  2. Tussen de twee wisselcontacten van A en de twee wisselcontacten van B lopen de

twee wisseldraden.

  1. Vanaf het gemeenschappelijke contact van B gaat de schakeldraad naar de lamp.
  2. De nul gaat rechtstreeks naar de lamp.

De lamp brandt wanneer beide schakelaars dezelfde wisseldraad hebben gekozen. Zet je er één om, dan is de keten verbroken. Zet je de andere ook om, dan is de keten via de andere wisseldraad weer gesloten. Vandaar dat elke schakelaar altijd werkt, ongeacht de stand van de andere.

De kruisschakeling: drie of meer bedieningspunten

Voor een derde bedieningspunt komt er tussen de twee wisselschakelaars een kruisschakelaar te staan. Die heeft vier aansluitingen en doet één ding: de twee wisseldraden onderling verwisselen of doorlaten.

Elke extra kruisschakelaar die je ertussen zet, voegt een bedieningspunt toe. Het principe blijft: aan de uiteinden twee wisselschakelaars, daartussen zoveel kruisschakelaars als je bedieningspunten nodig hebt.

De denkfout die je moet vermijden

Een wisselschakeling heeft geen "aan" en "uit". Beide standen zijn gelijkwaardig; de lamp brandt afhankelijk van de combinatie van standen. Wie probeert de schakelaars "goed om te zetten" tijdens het monteren, raakt in verwarring. Redeneer via de verbindingen, niet via de standen.

Veelgemaakte fouten

Fase op een wisselcontact in plaats van op het gemeenschappelijke contact. Gevolg: de lamp reageert wel, maar niet in alle combinaties, of er ontstaat kortsluiting zodra beide schakelaars in dezelfde stand komen.

Wisseldraden verwisseld met de schakeldraad. De schakeling lijkt te werken vanaf één punt en niet vanaf het andere.

Onderbreken van de nul in plaats van de fase - zelfde gevaar als bij de enkelpolige schakeling.

Bij LED-verlichting: nagloeien. Sommige schakelmaterialen met controlelampje of lange parallel lopende leidingen laten een minieme stroom lopen die bij een LED al zichtbaar is. Oplossing is meestal het verwijderen van het controlelampje of het plaatsen van een geschikte ontstoringscondensator bij het armatuur.

Controleren zonder spanning

Bij een wisselschakeling kun je vrijwel alles controleren met een doorbelmeting, spanningsloos:

  • meet tussen het gemeenschappelijke contact van A en dat van B, in alle vier de

combinaties van standen - twee ervan moeten doorverbinding geven, twee niet;

  • controleer dat er in geen enkele stand doorverbinding is tussen fase en nul.

Vind je dat patroon, dan is de schakeling correct opgebouwd en kun je met vertrouwen inschakelen.

Video's bij deze les

Wisselschakeling aansluiten - elektra tutorial±10 min · openen op YouTube ↗

Voordat je verdergaat