Uitmonding, verdunning en rookgasrecirculatie
Leerdoel van deze les
Je kunt beoordelen of een uitmonding goed zit, de verdunning van rookgas begrijpen en herkennen wanneer rookgas opnieuw wordt aangezogen.
Waar mag een uitmonding zitten?
Drie bronnen bepalen dat, in deze volgorde van gezag: het Bbl (wettelijke prestatie-eisen), de fabrikant van toestel en afvoer, en NPR 3378-60:2022 (een leidraad bij NEN 2757-1 en -2 over goede werking, hinder en verdunning van uitmondingen). De cijfers van de NPR staan achter een betaalmuur en zijn in deze cursus niet overgenomen: hinderafstanden en verdunningsafstanden zoek je op bij de fabrikant en in NPR 3378-60.
Wat het Bbl voor nieuwbouw vraagt (art. 4.138 en 4.139):
| Onderwerp | Waarde |
|---|---|
| Uitmonding niet boven het dakvlak: afstand tot de perceelsgrens, gemeten langszij aan de uitwendige scheidingsconstructie | Minimaal 1 m |
| Idem, gemeten loodrecht daarop | Minimaal 2 m |
| Uitmonding boven een constructieonderdeel of aansluitend terrein | Minimaal 0,3 m boven de bovenzijde, tegen afsluiting door vuil of sneeuw |
| Verbrandingsluchtopening boven een constructieonderdeel of terrein | Ook minimaal 0,3 m |
| Instroomopening voor verbrandingslucht: afstand tot de perceelsgrens, loodrecht (niet voor een opening in een dak) | Minimaal 2 m |
| Verdunningsfactor van rookgas van gasgestookte toestellen bij de instroomopening van een voorziening voor luchtverversing | Niet groter dan 0,01 |
Grenst het perceel aan een openbare weg, water of groen, dan meet je tot het hart daarvan. Voorzieningen buiten het perceel tellen bij de verdunningsbepaling niet mee. Voor niet-gasgestookte toestellen is de grens 0,0015. Bij verbouw gelden de plaatseisen voor een nieuw geïnstalleerde afvoer, behalve bij vervanging van een bestaande voorziening waarbij de plaats van de uitmonding niet wijzigt (art. 5.16). In bestaande bouw zonder wijziging is er geen plaatseis voor de uitmonding.
Wat is verdunning?
Rookgas verlaat de uitmonding en mengt met buitenlucht. De verdunningsfactor (bepaald volgens NEN 2757) is een maat voor hoeveel rookgas er nog overblijft op de plek van een opening waardoor lucht het gebouw in kan. Hoe lager de factor, hoe sterker het rookgas verdund is. Zo voorkomt het Bbl dat een uitmonding rookgas naar een ventilatieopening brengt. Een fabrikant noemt daarnaast 0,5 m tot dakranden en gebouwhoeken, en NPR 3378-60 (herzien) staat een uitmonding onder een doorlopend balkon niet meer toe voor nieuwe of gewijzigde systemen (bron: vakblad Installatie.nl). Die 0,5 m is geen wettelijke afstand en de balkonregel staat in een NPR, niet in het Bbl.
Een HR-toestel geeft sterk afgekoelde rookgassen af. Bij een geveldoorvoer zie je daardoor een rookpluim. Denk bij de plek ook aan hinder, en houd bij een C53 de openingen niet op tegenover elkaar liggende gevels (fabrikanteis).
Verdunning beschermt de lucht die het gebouw in gaat
De uitmonding mag geen rookgas naar een opening brengen waardoor lucht het gebouw inkomt. De wet drukt dat uit in een verdunningsfactor van maximaal 0,01 bij gas. Afstanden en berekeningen: NPR 3378-60 en de fabrikant.
Rookgasrecirculatie: rookgas dat weer wordt aangezogen
Bij recirculatie komt rookgas via de luchttoevoer weer het toestel in. Bij een concentrisch systeem kan dat door winddruk rond de uitmondingskap gebeuren, of door een interne lekkage in het systeem. Je controleert het zo:
- Meet met gesloten mantel de CO2-concentratie op het meetpunt van de verbrandingsluchttoevoer van het toestel.
- Vergelijk met de buitenluchtwaarde (buitenlucht bevat circa 0,04 procent CO2).
- Een goed werkend systeem geeft de buitenluchtwaarde. Door winddruk zijn waarden tot circa 1 procent CO2 toelaatbaar. Veel hogere waarden wijzen op interne lekkage en vragen nader onderzoek.
Volg voor de meetprocedure de voorschriften van toestel- en afvoerfabrikant. Fabrikanten laten bij storingen met vlamverlies (ionisatiefout) of een recirculatiebeveiliging de luchttoevoer en rookgasafvoer controleren op verstopping en recirculatie. Dat symptoom is toestelspecifiek en de oorzaak is niet altijd recirculatie. Een lekkende of ontbrekende afdichtring is een mogelijke oorzaak van interne lekkage (les 8.4).
Voorbeeldcasus
Een concentrisch C13-toestel geeft af en toe een ionisatiefout (vlamverlies). Je meet met gesloten mantel 0,9 procent CO2 op de luchttoevoer (verzonnen getal). Dat past bij winddruk en wijst niet op interne lekkage. Zoek de oorzaak van het vlamverlies elders, bijvoorbeeld een verstopping. Meet je 4 procent, dan is er interne lekkage: nader onderzoek naar het systeem, bijvoorbeeld naar de afdichtingen.
Video's bij deze les
Beeldmateriaal van derden, als aanvulling. Oudere of buitenlandse video's kunnen andere data of regels noemen: de les volgt de actuele Nederlandse bronnen.
Test jezelf
Beantwoord de vragen om te merken of de stof zit. Na elk antwoord zie je de uitleg, ook als je het goed had.
1. Hoe hoog moet een uitmonding volgens het Bbl minimaal boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein liggen?
2. Wat is de maximale verdunningsfactor van rookgas van een gasgestookt toestel bij de instroomopening van een voorziening voor luchtverversing?
3. Bij een concentrisch systeem meet je met gesloten mantel 0,8 procent CO2 op het meetpunt van de verbrandingsluchttoevoer. Wat is de conclusie?
4. Het perceel van een woning grenst aan een openbare weg. Waar meet je de afstand van een nieuwe geveluitmonding tot de perceelsgrens?
5. Waar vind je hinderafstanden en verdunningsafstanden van een uitmonding?
Voordat je verdergaat
Flashcards uit deze les
Deze les levert 6 kaarten op. Zodra je de les afrondt, komen ze terug in je herhaalschema: kaarten die je goed weet steeds later, kaarten die je mist al de volgende dag.