Een oud toestel vervangen door een HR-ketel
Leerdoel van deze les
Je kunt uitleggen wat er verandert bij het vervangen van een oud toestel (afvoer, ventilatie, ruimte, temperatuur) en welke controles je vooraf doet.
Vijf dingen die veranderen
Een oud atmosferisch of VR-toestel vervangen door een HR-ketel is meer dan "de oude eraf, de nieuwe erop". Vijf dingen veranderen mee, en je controleert ze voordat je begint.
1. De afvoer: van onderdruk naar overdruk
Een atmosferisch of VR-toestel werkt op natuurlijke trek (onderdruk in de afvoer, warme rookgassen die opstijgen). Een HR-toestel heeft een ventilator die het rookgas met lichte overdruk door de afvoer drukt, bij een veel lagere, condenserende temperatuur. Een bouwkundig collectief kanaal met natuurlijke trek (een shunt of onderdruk-CLV) is daardoor niet zonder meer geschikt voor een HR-toestel: het drukverschil en de lagere rookgastemperatuur passen niet bij een kanaal dat voor de oude situatie is berekend (zie les 8.8).
BRL 6000-25 eist bovendien dat het bestaande afvoersysteem bij vervanging gelijktijdig met het toestel wordt vervangen, tenzij het grondig is gecontroleerd en beoordeeld als geschikt voor een verwachte resterende levensduur van minimaal 15 jaar (zie les 8.9). Bij een VR-toestel dat door een HR-toestel wordt vervangen, geldt in de praktijk van fabrikanten dat het afvoersysteem altijd wordt vervangen: de lagere rookgastemperatuur en de condens vragen om ander materiaal dan een oudere metalen afvoer zonder weerstandsklasse W (zie les 8.3).
2. De opstelruimte en de ventilatie
Bij verbouw gelden voor een nieuw geïnstalleerde rookgasafvoer in beginsel de nieuwbouw-prestatieniveaus, behalve als de bestaande voorziening wordt vervangen en de plaats van de uitmonding niet wijzigt: dan geldt die plaatseis niet (zie les 8.9). Dat neemt niet weg dat je de ventilatie van de opstelruimte altijd beoordeelt: een oud atmosferisch toestel had minder verbrandingslucht nodig dan sommige nieuwe situaties vragen, en een nieuwe afzuigkap of mechanische ventilatie die er sinds de vorige ketel is bijgekomen, verandert het risico op onderdruk (zie les 19.2 en les 8.7).
3. De condensafvoer
Een HR-toestel maakt, in tegenstelling tot het oude toestel, zuur condensaat dat moet worden afgevoerd. Dat condensaat gaat via een sifon naar de (vuilwater)riolering: de sifon houdt rioollucht en methaan uit het riool tegen. Voor een kleine woninginstallatie wordt het zure condensaat in de praktijk vermengd met het overige, meer alkalische huishoudelijke afvalwater. De exacte aansluitwijze en diameter staan in de installatiehandleiding van het nieuwe toestel: dit is bij het oude toestel niet aan de orde geweest, dus je voegt een nieuwe leiding toe die er nog niet was.
4. Het temperatuurregime en de afgifte
Een HR-toestel heeft een lagere retourtemperatuur nodig om te kunnen condenseren dan een ouder toestel (zie les 7.2). Oude radiatoren die voor een hoog temperatuurregime zijn ontworpen (bijvoorbeeld 90/70 °C), geven bij een lager temperatuurregime minder vermogen af. Dat betekent niet dat je de radiatoren per se moet vervangen, maar wel dat je vooraf checkt of de bestaande afgifte bij een lagere aanvoertemperatuur nog voldoende is, zeker in de koudste dagen van het jaar.
5. De rest van de installatie
Gasaansluiting en gasdruk, bestaand leidingwerk, en of er een CLV of ander collectief systeem bij betrokken is: dit zijn geen nieuwe onderwerpen, maar wel punten die je bij een vervanging opnieuw beoordeelt in plaats van klakkeloos over te nemen van de oude situatie.
Vervangen is beoordelen, niet aannemen
De kern van een toestelvervanging is dat je niets van de oude situatie automatisch overneemt: niet de afvoer, niet de ventilatie, niet het temperatuurregime. Elk van die vijf punten controleer je opnieuw, ook als de oude installatie jarenlang zonder klachten heeft gedraaid.
Praktijkgeval: checklist vooraf
Bij een offerte voor een nieuwe HR-ketel ter vervanging van een 22 jaar oude VR-ketel op een individueel metalen kanaal loop je vooraf langs:
- Afvoer: materiaal en staat van het bestaande kanaal; geschikt te maken voor overdruk en condens, of vervangen.
- Opstelruimte: ventilatie-openingen aanwezig en niet afgesloten; geen nieuwe afzuigkap of mechanische ventilatie bijgekomen zonder dat daar rekening mee is gehouden.
- Condensafvoer: een sifonaansluiting op de riolering realiseren, die er nu niet is.
- Temperatuurregime: radiatoren en leidingwerk geschikt voor een lagere aanvoertemperatuur, of vooraf een afgiftecheck.
- Overig: gasdruk en leidingwerk controleren, en nagaan of er een collectief systeem bij betrokken is.
Alleen met deze vijf punten vooraf gecheckt, is de vervanging meer dan "de oude ketel eraf, de nieuwe erop".
Video's bij deze les
Beeldmateriaal van derden, als aanvulling. Oudere of buitenlandse video's kunnen andere data of regels noemen: de les volgt de actuele Nederlandse bronnen.
Test jezelf
Beantwoord de vragen om te merken of de stof zit. Na elk antwoord zie je de uitleg, ook als je het goed had.
1. Waarom is een bouwkundig collectief kanaal met natuurlijke trek niet zonder meer geschikt voor een nieuw HR-toestel?
2. Wanneer mag je volgens BRL 6000-25 de bestaande afvoer laten zitten bij vervanging van het toestel?
3. Waarom heeft een HR-toestel een condensafvoer nodig die het oude atmosferische toestel niet had?
4. Wat verandert er typisch aan het temperatuurregime bij vervanging door een HR-ketel, en wat betekent dat voor oude radiatoren?
5. Bij verbouw geldt voor een nieuw geïnstalleerde rookgasafvoer in beginsel de nieuwbouw-prestatieniveaus. Wanneer geldt de plaatseis voor de uitmonding daarbij niet?
6. Wat is de kern van de aanpak "vervangen is beoordelen, niet aannemen" bij een toestelvervanging?
Voordat je verdergaat
Flashcards uit deze les
Deze les levert 7 kaarten op. Zodra je de les afrondt, komen ze terug in je herhaalschema: kaarten die je goed weet steeds later, kaarten die je mist al de volgende dag.